Testweek. Ik ben niet zo’n groot fan van de testweek. Ik moet namelijk altijd pissen tijdens de testweek en ik kom twintig minuten voordat de test begint er pas achter dat we ook nog paragraaf 11 en 12 moeten kennen die ik dus niet heb geleerd en daarom maar even een vlugge deal sluit met God dat ik heel braaf zal zijn als hij me nu helpt alle stof in één keer te onthouden (das een lange zin…). Maar goed, over mijn gestuntel en gemopper (vooral over dat het de schuld is van de docent dat ik zo laag scoor) ga ik het vandaag niet hebben. Er zit een heel groot voordeel aan de testweek. In mijn ogen zelfs nog groter dan het voordeel dat je eerder uit bent. Er is namelijk altijd plek op die plaats waar het volgens de Carry Slee boeken het allemaal gebeurt: de fietsenstalling (alweer zo’n moeilijke zin). Zoals eerder genoemd kijk ik altijd net vijf minuutjes te lang de Simpsons en kom daardoor net als de bel gaat op school waardoor ik maar met jas en al naar het lokaal ren (of eigenlijk meer huppel). Tja, en daar zit je dan met je rode bezwete kop. Maar in de testweek is dat niet want dan kan je gewoon je fiets dumpen op de plek naast de deur en hoef je geen professioneel ninja of yogadocent te zijn om weer uit de fietsenstalling te komen. Echt een geluksmomentje vind ik dat!

Ik vind de fietsenstalling echt een mooie plek. Er zit gewoon stiekem een heel systeem in. Volgens mij heeft iedereen wel een voorkeursplek. Bij mij is dat net achter de containers met afval. Ik heb geen idee waarom ik hem daar altijd neer zet. Het is zelfs helemaal niet praktisch om hem daar neer te zitten want je komt er vrijwel nooit binnen een minuut uit maar het voelt gewoon vertrouwd en goed.  Ik heb een net iets te kleine witte cortina fiets die om de twee weken wel een kwaaltje vertoont. Dan pik ik de fiets van mijn moeder in die eigenlijk net iets te groot is en zo’n fancy rieten mandje voorop heeft en van die te slappe snelbinders en  waarvan de standaard me altijd in de steek laat. Dat laatste vind ik altijd pittig hilarisch. De eerste vijf uur vind hij het prima om te blijven staan maar daarna raakt mijn moeders fiets moe of zo en moet hij even gaan liggen.  Gelukkig is mijn fiets nooit de enige die vermoeid raakt. Dagelijks is er sowieso wel eentje die het even niet meer ziet zitten en dan ineens ligt er een mooie rij van zes fietsen als dominosteentjes op de grond. Vind ik persoonlijk best leuk om te zien tenzij mijn eigen fiets ertussen zit.

Ik moet ongeveer negen kilometer naar school net als alle andere Sonners op het Eckart. Die mensen gaan nu waarschijnlijk snappen waarover ik het nu ga hebben: de EIndhovenseweg. Er is volgens mij niks saaier dan de Eindhovenseweg naar Son. Het is een recht stuk weg met alleen maar boompjes langs de weg. Ik zit nu bijna drie jaar hier op school en ik kan jullie nu wel vertellen dat je na die tijd wel iedere boom uit je hoofd kent en een naam hebt gegeven. Zo is Katinka echt een gezellige boom. Dat herken je aan de vogels die altijd op haar willen zitten. Sjoerd is een beetje verlegen maar wel heel vriendelijk als je hem echt leert kennen. En Alfred vind ik zelf niet zo aardig (moet je maar niet tegen hem vertellen). Ik denk dat dit wel even een idee geeft hoe saai de Eindhovenseweg is. Maar nu komt de grap: je moet over de Eindhovenseweg om op school te komen. Er zijn geen andere routes! En als heel Son en Breugel tegelijkertijd over een redelijk smalle weg fietst duurt het nog eens een keer de helft langer (wat heb ik toch een zwaar leven). Goed, nu ben ik klaar met klagen en daarbij ook met het schrijven van dit verslaggie.  (weer een spetterend einde Neeltje, goed bezig…)

 

TAGS: